Het Parool (13 juni 2000)

De naam om te onthouden: Muse. De naam om te vergeten: Die Toten Hosen (flauwe punkrock uit Duitsland die alleen bekijks trok van de Duitse fans). Verder: een weinig memorabele editie van Pinkpop. Wat ook weer geen verrassing was: op het Lowlands-festival worden de meer avontuurlijke bands geprogrammeerd en op Pinkpop de veilige publieksfavorieten.

Het liefst groepen en artiesten die al eerder succesvol waren op Pinkpop - vandaar dat Pearl Jam, Live, Postmen, Moby, Bush en de Counting Crows opnieuw op het affiche stonden, en niet - om maar wat te noemen - Wheat, Beulah, Brassy of ...And You Will Know Us By The Trail Of Dead.

Nu moet gezegd dat het Pinkpoppubliek daar ook absoluut niet op zit te wachten. Dat wil de vertrouwde namen. Dat wil de vertrouwde festivalrock: muziek met spierballen en gevoel, met kloten en wat vrouwelijke hormonen, die niet te moeilijk in het gehoor ligt en met zijn allen mee te zingen en te klappen is -een collectieve ervaring die moeilijk te overtreffen valt.

Daarin paste ook het optreden van De Dijk, na een jaartje vrij terug, en meteen voor het eerst op Pinkpop, met solide passierock die over het hele veld werd meegezongen. Alleen had het licht wel even uitgemogen, want in de felle zon klonken de liedjes over avonden die vallen in duizend stukken een beetje ongerijmd.

Wat Pinkpop dit jaar toch nog wat saaier dan andere jaren maakte, was dat de koningen van de festivalrock, Pearl Jam en Live, elk maar liefst anderhalf uur mochten spelen, terwijl op de andere twee podia in die tijd niets gebeurde. Naast de uit volle borst met die bands meezingende festivalwei waren er genoeg mensen die zich stierlijk verveelden, omdat ze toevallig geen Pearl Jam- of Live-fan waren. Bovendien was bij beide bands duidelijk dat het vooral op een festival niet meevalt anderhalf uur te boeien: dan werkt een krachtige set van vijftig minuten of een uur veel beter. Vooral Pearl Jam kon dan ook niet aan de hooggespannen verwachtingen voldoen.

Daardoor werden de Amerikaanse bands zelfs op punten verslagen door het Haagse Kane, dat jong genoeg is om nog niet de festivalroutine van de oudgedienden uit te stralen maar inmiddels ervaren genoeg om het publiek effectief te bespelen. Zanger Dinand Woesthoff is live een stuk beter gaan zingen dan pakweg een half jaar geleden, en liep zelfverzekerd en energiek heen en weer op het podium, waarbij het mooi meegenomen was dat het publiek Kane van tevoren al zo ongeveer op handen droeg. Woesthoff scoorde nog eens extra door een groepje fans op het podium uit te nodigen ('het is egoistisch om dat mooie uitzicht voor mezelf te houden'), waarna de jonge fans zielsgelukkig op het podium zaten mee te deinen, of, zoals één jongen, luchtgitaar te spelen. Het moet raar lopen wil Kane niet volgend jaar op het grote podium staan.

Evenals hopelijk het Britse trio Muse, want dat was maandag het hoogtepunt op Pinkpop, in de dolenthousiaste 3FM-tent. Leek Muse op voorhand niet veel meer dan een fletsere kopie van de Engelse groep Radiohead, het indrukwekkende optreden op Pinkpop maakte duidelijk dat dat onzin is. De soms hoog uitschietende stem en emotionele zangstijl van zanger/gitarist Matthew Bellamy doen denken aan die van Radiohead-zanger Thom Yorke, maar de muziek van Muse klonk een stuk ruiger, en Bellamy toonde een krachtige eigen persoonlijkheid. Zo bracht Muse krachtige rock-'n'-roll die tegelijkertijd fijngevoelig was, gespeeld met plezier en passie, altijd een goede combinatie. Zo bleek festivalrock toch hartstikke spannend en opwindend te kunnen zijn, onder meer door het inventieve gitaarspel van Bellamy, die geen effect onbenut liet (zijn gitaar klonk soms zelfs als een saxofoon) en zelfs wat grappige hardrockriedeltjes tussendoor speelde.


De perfecte afsluiter was Moby, met zijn uitbundige en mooie mengeling van dance-stijlen. En hij had godzijdank meer humor dan zijn voorgangers: zo liet hij het publiek massaal op commando 'fuck you Moby!' schreeuwen, en ging hij, zoals hij zelf zei, op het podium masturberen - figuurlijk tenminste, door een egotripperige heavy metal-gitaarsolo te spelen. Waarmee hij nog niet zo leuk was als Michiel Romeyn, die dit jaar opnieuw Pinkpop presenteerde, in diverse Jiskefet-rollen. Hij speelde een ruig feedbackend Wilhelmus op de elektrische gitaar, net zoals Jimi Hendrix ruim dertig jaar geleden op Woodstock het Amerikaanse volkslied een heel eigen interpretatie gaf. Maar Romeyn was daarbij ook nog eens gekleed in een Duits soldatenpak - wat de vertolking van het volkslied een onnavolgbare Jiskefet-kronkel gaf.

© Het Parool, 13 juni 2000 - Sietse Meijer


back to articles